Weekly News

Olympisch kampioen Jeroen Dubbeldam over de liefde voor de paardensport

Noem een mogelijke prijs, en hij heeft ‘m vermoedelijk gewonnen. Springruiter Jeroen Dubbeldam (44) kent een zeer succesvolle carrière, maar vraag waar zijn passie voor de paardensport vandaan komt en zijn antwoord is even opmerkelijk als eenvoudig. “Dat komt door mijn vader. Die heeft het er min of meer doorheen gedrukt. Zelf was ik als kind liever op het tennis- of voetbalveld.”

De vaderlandse paardensport en Jeroen Dubbeldam zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De Twentenaar staat al jarenlang aan de top van de springruitersport en mag zich meten met de groten der aarde. 


Zijn grootste overwinningen behaalde hij met zijn paard De Sjiem, met als absolute hoogtepunten een gouden medaille op zowel de Olympische Spelen in Sydney (2000) als het WK (2014) in Caen. In 2015 won hij met paard SFN Zenith N.O.P. (kortweg: ‘Zenith’) in het Duitse Aken in individueel én teamverband het Europees Kampioenschap. 


Een imposant rijtje aan prestaties, maar het had zomaar anders kunnen lopen. “Uiteindelijk ben ik de sport gaan waarderen omdat ik met mijn eerste paard, Kingston, op jonge leeftijd al vrij veel succes boekte. Dat vond ik leuk. Als dat niet direct zo goed was gegaan, dan was ik vermoedelijk niet eens in de paardensport terecht gekomen. Ik ben begonnen door het thuisfront, de echte passie is later gekomen.”


Waarin komt die passie het meest tot uiting? 

Dubbeldam, lachend: “De meeste mensen hebben echt geen idee hoeveel we ervoor doen om de top te behalen. Ik ben echt van half acht ‘s ochtends tot ver in de avond bezig met mijn sport en dat zeven dagen lang. Wat dat betreft was het dragen van de Nederlandse vlag tijdens de Olympische Spelen in Rio een persoonlijk hoogtepunt: het is erkenning voor mijn werk.”


Een gouden medaille op de Spelen, een EK- en WK-winst: je hebt eigenlijk alles al gewonnen. Heb je nog ambities binnen de paardensport? 

“Ik ben nu heel druk met het opleiden van mensen. Dat is een mooi vak. Ik wil graag op ieder vlak alles er uithalen wat erin zit. Soms heb je bijvoorbeeld paarden tot je beschikking die niet op het allerhoogste niveau kunnen acteren. Dan vind ik het geweldig om daar toch wat mee te bereiken: het is mooi om met een paard van Jupiler League-niveau de Eredivisie te behalen. Daar zit óók een uitdaging, het draait niet alleen maar om de toptalenten.”


Hoe weet je wanneer een paard een heel erg hoog niveau kan halen?

“Dit klinkt heel cliché maar: het is een heel proces, bij elk paard is dat anders. Je scout ergens een paard en ziet zijn bewegingen of uitstraling en denkt: hé, daar kan weleens wat inzitten. Maar voordat je van een paard een topatleet hebt gemaakt en hij volledig op kracht is, ben je zo een paar jaar verder. Ik heb een heel team van mensen die daar fulltime mee bezig zijn. Bovendien kan een paard niet praten, je moet kleine lichamelijke ongemakken op den duur zelf kunnen herkennen. Met het op tijd spotten van kwaaltjes, kun je uiteindelijk het verschil maken.”


Hou je eigenlijk van je paarden? 

“Natuurlijk. Maar je moet die liefde wel uit kunnen schakelen. De meeste paarden komen en gaan. De paardensport is gigantisch duur, het kost meestal meer dan het oplevert. Door je paarden te verhandelen kun je de sport bedrijven. Gelukkig staat De Sjiem gewoon bij ons op stal. Die is nu 28 en geniet na alle successen van zijn oude dag. Maar dat kan natuurlijk niet bij ieder paard.” 


“Sowieso doe je het uiteindelijk niet met één paard, maar met een complete stal. Kijk naar Messi in de voetbalwereld: zonder de rest van Barcelona kan hij ook niet veel. In het Argentijns elftal is hij bij lange na niet zo goed. Maar soms gaat het ook om timing. Met Simon heb ik geen hele grote titels behaald, maar het is wel een van de beste paarden waarmee ik ooit gereden heb. Die had zoveel talent, was echt uitzonderlijk goed. Maar die heb ik slechts twee jaar gehad en in die periode was er net geen WK of Olympiade.” 


Baal je daar van? 

“Het is onderdeel van de sport. Je kunt wel al je paarden houden, maar dan gaat je stal heel snel op slot. Het is dus niet zo’n eenvoudig plaatje. De sport is niet alleen hard werken, je moet ook slim in zijn. Zeker in deze tijd.”


Waarom nu precies? 

“Toen ik me in 1997 voor het eerst liet zien op het wereldtoneel, had je rond de tien grote concoursen per jaar. Nu zijn er soms twee of drie per weekend. Dat is een gigantisch verschil, er gaat veel meer geld in om. De sport is veel mondialer geworden. Toen ik net begon had ik niet durven dromen dat ik ooit in Qatar, ergens middenin de woestijn, op concours zou gaan met mijn paard. Terwijl: dat is nu de normaalste zaak van de wereld.

Prachtig toch? De passie voor het paard is er nu bijna overal. Daar kan ik echt van genieten.” 

Delen

Journalist

Ger de Gram

Related articles